30 juni 2009

Uitje


Van het weekend heb ik om mijn midlife-crisis enigszins te verwerken een motorfiets gehuurd en ben lekker wezen toeren. Ik rijd het liefste provinciale wegen met de motor, daarvoor is een hele lijst van redenen. De omgeving is mooier, er zijn meer bochten, de wind knalt niet zo hard op je helm zodat je geen oorverdovend lawaai hebt. Bochten rijden op de motor is überhaupt de clou van motorrijden. Met je hele lichaam in de bocht hangen, als het ware een deel van de motor te worden, elegant meezwenken met het verloop van de weg, het gevoel niet meer terug te kunnen als je eenmaal in de bocht bent, dat is wat motorrijden tot een beleving maakt.

Natuurlijk is ook de acceleratie en de kracht van de motor een kick. Het geeft je het gevoel dat je zelf ook zo sterk bent, dat je een zo machtige kracht met de uiteinden van je vingers kunt beheersen.

De heuvelachtige wegen hier in de omgeving voegen nog een extra dimensie toe. Als je een heuvel af rijdt en tegelijkertijd een bocht in duikt, krijg je de indruk drie-dimensionaal door het landschap te bewegen. Ongeveer zo als in mijn favoriete video-spel Descent van 13 jaar geleden.

Voor kartografisten: zaterdag ben ik via Hohenfelden en Kranichfeld naar Ilmenau gereden, en dan weer terug naar Erfurt over de B4. Zondag ben ik samen met mijn LAG (Lebens-Abschnitts-Gefährte) naar Straußberg gereden, en daarna via thuisbasis Erfurt heen en weer naar Weimar.

In Straußberg hebben we het Erlebnispark Straußberg bezocht, beter bekend als het Affenpark. Mijn LAG is idolaat van dit apenpark en ik vind het ook leuk. Het is een soort dierentuin dat in het bos, op een berg ligt, waar de verschillende apensoorten vrij rondlopen en leven. Het bijzondere is dat je als bezoeker dwars door het gebied loopt waar de dieren zich ook vrij bewegen. De regels zijn dat je op de paden moet blijven en de dieren niet mag voeren. Vooral de Berber-apen zijn hondsbrutaal. De eerste keer dat ik er was, ongeveer 8 jaar geleden, griste een aap de nieuwe baseball-cap van mijn zoon weg, klauterde ermee tot bovenin het apen-klimrek, en trok vol trots zelf de veel te grote muts over zijn oren. Mijn zoon was diep ongelukkig en ik moest mijn best doen om mijn lachen in te houden. Geen schijn van kans om de muts kwaadschiks van de aap terug te krijgen, de aap is veel sneller en een betere klimmer. Deemoedig hebben we afgewacht tot de aap geen interesse meer had aan de muts en hem ergens tussen de struiken liet liggen.

Toen we zondag terugkwamen van de laatste rit naar Weimar, ongeveer twee kilometer van huis, gebeurde er iets vreemds. De hele weg was ik keurig beheersd gereden, slechts een keer het gas opengedraaid tot 160 km/h, voor de rest 100 zoals het hoort. Een keertje nog wilde ik aan het stoplicht lekker snel optrekken, ik had mijn LAG al gewaarschuwd dat ze zich goed vast moest houden. Ik geef dus een zwaai aan het gas, en wat gebeurt er?
Niets. Een vreemd gevoel aan mijn rechterhand, de motor blijft rustig stationair draaien. Ik draai nog een paar keer aan het gas: nog steeds niets. Gaskabel afgebroken. Kut. Zoals gezegd waren we gelukkig al bijna thuis, en ik wilde de motor zowiezo weer terugbrengen. Dus ben ik de laatste twee kilometer zonder gas te kunnen geven, stapvoets in de eerste en tweede versnelling teruggereden naar de winkel. Voor het grootste deel over de stoep, omdat deze motor geen gevaren-knipperlicht heeft. Kleine korting nog gekregen voor de schrik, en uiteindelijk toch een geslaagd weekeinde.
En dan nu de plaatjes, stilstaand en bewegend:
De motor, een Kawasaki 750 met 'paar-und-achtzig' pk:



Een paar apen:


video








Roken 2

Daar is hij weer! Het heikele onderwerp. Als ik in het nu volgende stukje tegen een paar schenen aanschop, dan bied ik bij voorbaat alvast mijn excuses aan, maar de waarheid is nu eenmaal hard.

Een ding zat me nog dwars na de discussie van vorige week. Een of twee mensen beweerden dat het niet uitmaakt hoeveel je rookt, eigenlijk is 1 sigaret net zo gevaarlijk als 10 of 20. Deze bewering vond ik zo absurd dat ik er niet op in ben gegaan, iets dat je gewoon af kan doen als onzin en dat misschien ook niet serieus bedoeld was.

Maar na enig nadenken moest ik toegeven dat ik daarover nog nooit harde cijfers had gezien. Eigenlijk heb ik namelijk geleerd om nooit dingen voor waar aan te nemen waar je geen bewijs voor hebt, en niet tot vroegtijdige conclusies te komen. Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat een kankerverwekkende stof een drempelwaarde heeft die hij moet overschrijden om gevaarlijk te zijn, en dat daarna de hoeveelheid niet meer uitmaakt. Klinkt onlogisch, maar de quantummechanica is ook onlogisch en scheikunde sowieso.

Welnu, ik heb gezocht en een serieus grootschalig onderzoek gevonden, waarbij meer dan 34000 artsen in Engeland onderzocht zijn, over een periode van 50 jaar. Ik zal niet al de details herhalen, hier kun je het nalezen. Voor de luie lezer (zijn we dat niet allemaal?) heb ik hier nog een kopie gemaakt van de belangrijkste tabel, die in het orignele verhaal nogal slecht te lezen is door het rare formaat. Als je 10-20 minuten de tijd hebt, moet je het originele artikel echt even lezen, ik vond het zeer interessant.

Tabel uit de studie: (klik om te vergroten)


Conclusie: het spijt me (niet echt), maar ik heb gelijk. Het gevaar om bijvoorbeeld dood te gaan aan longkanker, is behoorlijk evenredig met het aantal sigaretten dat je per dag rookt.

Het is niet zo moeilijk om te reconstrueren waar de gedachtengang vandaan komt dat 1 sigaret al zo gevaarlijk zou zijn. Roken is voor de meeste mensen zwaar verslavend, en zij kunnen helemaal niet 1 sigaret per dag roken. Als zij beginnen met 1 sigaret, dan is het al snel een pakje per dag. Dat begrijp ik en dat respecteer ik. Bij mij is roken minder verslavend, daarvoor in de plaats heb ik dan weer andere verslavingen. Maar kom me niet met het verhaal dat iemand die wel 1 sigaret kan roken per dag dan net zo ongezond bezig is, want het is bewezen niet waar.

Een andere wetenswaardige conclusie uit het rapport: stoppen met roken helpt altijd. Hoe eerder des te beter natuurlijk, maar zelfs een zware roker die op vijftigjarige leeftijd stopt met roken, HALVEERT daarmee de kans om aan de gevolgen van het roken te sterven.

25 juni 2009

Motivatie

[Iedereen is een vechter, iedereen wil winnen. Wie iets anders beweert heeft het gevecht opgegeven omdat hij vastgesteld heeft dat de overwinning niet haalbaar is. Hij vermijdt het gevecht en probeert alleen nog maar om niet te verliezen.]
Ik parafraseer hier Stephen Foxx, de hoofpersoon in Das Jesus Video door Andreas Eschbach. Stephen kan deze uitspraak zonder terughoudendheid doen omdat hij zelf meestal zijn gevechten wint.

Ik ben eindelijk op het punt aangeland dat ik voor mezelf kan toegeven dat ik op geen enkel gebied een werkelijk uitzonderlijk talent heb, en dientengevolge ook niet de geschiedenisboeken ga halen of zelfs maar een opvallend artikel in de krant. De gedachte dat je ergens talent voor hebt, dat je beter bent dan de meeste andere mensen, dat je van ze kunt winnen, is een ongelooflijk motiverende kracht. Het is de kracht die ervoor zorgt dat je langdurige saaie studies doorworstelt, dat je boeken leest die net iets te moeilijk zijn, dat je de confrontatie aangaat met allerlei mensen. Als je je kind oprecht bewondert om iets waarin het beter is dan de anderen, dan moet je eens zien hoe hij 'groeit'. Samen met sex, het idee om de wereld te verbeteren, en de drang om je voort te planten en je nageslacht goed op het leven voor te bereiden is het meten met anderen de belangrijkste motivator. We hoeven maar kort naar de sportwereld te kijken om talloze voorbeelden te zien.

Een variatie op dit thema is: in plaats van te proberen te bewijzen dat je beter bent dan anderen, aan te tonen dat je niet slechter bent. Als je in een groep bent en je hebt het idee dat je wat in te halen hebt om op gelijke hoogte te komen, dan is dat ook een uitstekende motivator.

Nu deze motivator bij mij min of meer weggevallen is, heb ik natuurlijk een probleem. Ik heb een vervangende motivator nodig. Ik ben het gewend dat de motivatie vanzelf komt, en niet dat ik hem moet bedenken. Het is niet zo dat ik zwaar gedeprimeerd ben door de ontdekking dat ik niet het wereld-hongerprobleem ga oplossen, het is meer zo dat de drijfveer ontbreekt om uit mijn luie stoel te komen.

Volgens mij heb ik net op een omslachtige manier uitgelegd dat ik in de midlife crisis zit af te glijden.

22 juni 2009

De man met de zeis


(De dood bij Terry Pratchett)

Lieve kinderen, vandaag gaan we het hebben over de dood. Een groot onderwerp, eigenlijk veel te groot voor een blog, maar het spreekwoord zegt: waar het hart vol van is, daar moet je over bloggen. Mijn spreekwoord zegt dat.

Sinds een tijdje denk ik steeds vaker aan mijn eigen dood. Het is niet zo dat ik er daarvoor nooit over gedacht heb, maar dan was het altijd iets abstracts. Iets dat in de verre toekomst ging gebeuren, niet iets waar ik rekening mee hoefde te houden. In mijn eigen omgeving, in mijn familie en kennisenkring is het fenomeen gelukkig nog niet zo vaak voorgekomen. Twee oma's die al zeer op leeftijd waren zijn gestorven, een daarvan was zelfs over de honderd! Ik heb niet aan den lijve ondervonden hoe het is als kennissen of familieleden van mijn eigen leeftijd uit het leven gerukt worden door bijvoorbeeld een ongeluk of een ziekte.

En toch dringt het onderwerp zich steeds meer aan me op. Volgens Irvin D. Yalom is iedereen bang voor de dood, en wie het niet is, die onderdrukt het. Ik ben bang voor de dood. En dan heb ik het nog niet eens over de eventuele lijdensweg die daaraan voorafgaat bij ziekte, nee, ik ben er bang voor om er niet meer te zijn. Hoe kun je nu bang zijn voor iets dat je niet meemaakt? Ist mir egal, ik wil gewoon eeuwig leven.

Ik ben niet religieus, en ik geloof niet aan een leven na de dood. Volgens mij geloven een hoop religieuze mensen dat zelf trouwens ook niet, maar dat terzijde. Als ik dood ben, leef ik hooguit nog na in de herinnering van de mensen die mij gekend hebben. Misschien bestaat mijn blog nog, en leest af en toe iemand daarin. Wat gebeurt er met mijn bewustzijn? Dat houdt ook op te bestaan. Dat het bewustzijn en je persoonlijkheid zeer door fysische processen (materiele dingen dus) bepaald worden, kun je zien aan mensen die een geestelijke ziekte hebben (dementie), aan de invloed van geneesmiddelen en drugs, en je merkt het aan den lijve als je bijvoorbeeld net wakker bent, nog helemaal duf en niet weet wie of waar je bent. Als je hersens 'kapot' gaan, is je persoonlijkheid ook weg, je 'ik-gevoel' lost op in de lucht. Je bent 'weg vom Fenster'.

Als je jonger bent heb je geen tijd om aan de dood te denken, omdat er teveel spannende en interessante dingen gebeuren. Later wordt het leven veel gemoedelijker, de situatie van de dreigende dood wordt langzaam concreter, en zo knaagt het steeds vaker aan je bewustzijn. Dat is niet leuk, maar het hoeft geen slechte zaak te zijn. Zo kun je erover nadenken wat nog realistisch is om te plannen en te bereiken in je leven. Zodat je niet aan het einde denkt: shit, helemaal vergeten om die boot te kopen, die vakantie te houden in Zuid-Amerika, om een wereldreis op de fiets te maken, om van die vrouw te scheiden waar ik eigenlijk al na 2 jaar niet meer van hield. Zomaar een paar voorbeelden die niets met mijn eigen leven te maken hebben!

Hoe zalig moet het zijn om echt te geloven dat je na je dood verder leeft. 'Zalig zijn de armen (van geest), want hen is het Koningrijk Gods'. Zo ongeveer gaat het gezegde toch? Ik neem liever het zekere voor het onzekere en concentreer me op dit leven. Als er dan na de dood toch iets blijkt te zijn, dan valt het alleen maar mee. Maar in mijn hart geloof ik er niet in.

19 juni 2009

Carriere


Ik heb in mijn carriere een paar ups en downs gehad. Ik ben een tijdje afdelingsleider geweest bij mijn vorige werkgever, heb cursussen gegeven, en nu ben ik weer gewoon programmeur.

Ik werk bij een groot bedrijf, alleen in deze vestiging werken al meer dan 400 mensen. Het is een Duits bedrijf dat ruim 100 jaar bestaat, we werken in een traditionele Duitse branche, namelijk werktuigmachines. Deze factoren dragen ertoe bij dat hier een uitgebreid hierarchisch systeem heerst met veel chefs, onderchefs en projektleiders. De verschillende afdelingen gedragen zich bij tijd en wijle alsof ze een eigen bedrijf zijn, dat met de andere afdelingen concurreert. Er is een cultuur ontstaan, waarbij de afdelingen elkaar de zwarte Piet toeschuiven als er iets fout gaat. Men weet het, er heerst een communicatie-probleem, maar het is niet mogelijk het te veranderen.

Ik sta onderaan in de hierarchie, als programmeur. Boven mij staat een projektleider, hij leidt een team van ongeveer acht mensen. Boven hem staat de afdelingsleider elektrisch + software, daarboven de afdelingsleider Konstruktie, en dan komt het management. Al toen ik hier begon, had ik me voorgesteld dat ik niet meer zou ambieren om hogerop te komen, en mij in plaats daarvan op de techniek te concentreren. Zo kun je rustig je expertise opbouwen, je hebt meer eer van je werk omdat je werkelijk ergens verstand van hebt, en je hoeft niet met de politieke spelletjes mee te spelen.

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ik ben van nature iemand die graag de grote lijnen ziet. Ik ben weliswaar niet de grote extrovert, maar zo een vreselijke Einzelgänger als de meeste collega's in dit beroep ben ik niet. In het land der blinden is een-oog koning. Ik zie meteen de noodzaak om op iemand af te stappen als het werk dat verlangt, in plaats van nog een paar dagen alleen te zitten brödelen. Ik kan goed met collega's en chefs praten, tot de kern van de zaak doordringen, overbodige franje doorprikken, al zeg ik het zelf. Ik heb altijd moeite gedaan om de mysterieuze materie waar ik mee werk aan andere mensen begrijpelijk te presenteren.

En zo heeft mijn projektleider nu, voor de tweede of derde keer, mij aangewezen als zijn vertegenwoordiger tijdens zijn vakantie. Ik sta totaal in tweestrijd voor het geval dat iemand op het idee zou komen mij werkelijk een hogere positie aan te bieden. Het streelt mijn ijdelheid in niet geringe mate, maar ik weet niet of het goed voor me is. Afgezien van de stress door de bovengenoemde perikelen, betekent het waarschijnlijk ook onregelmatige werktijden, lange vergaderingen en veel administratiev rompslomp. Soll ich mir das antun?

17 juni 2009

Andreas Eschbach

Vorige week had ik een logje over mijn favoriete Duitse muziek, deze keer gaat het over mijn favoriete Duitse schrijver, Andreas Eschbach.

Wie nog nooit van Eschbach gehoord heeft, kent misschien de film Das Jesus Video. Deze film baseert op de eerste roman van Eschbach met de gelijknamige titel (Ned: Het Messias-mysterie). In dit verhaal wordt bij opgravingen in de Israelische woestijn een 2000 jaar oud menselijk overschot gevonden, dat in een buideltje de handleiding van een videocamera bij zich heeft. Het gaat om een camera die op het moment van opgraving nog niet op de markt is. De voor de hand liggende conclusie is, dat in de nabije toekomst tijdreizen worden uitgevonden, en dat iemand met een videocamera naar het verleden is gereisd (/gaat reizen) om daar sensationele opnames te maken. Een fascinerend avontuur begint waarbij een jonge man het opneemt tegen een businesstycoon in de jacht op de videocamera en de eventueel daarin aanwezig opnames van Jezus.

Andere boeken die ik van Eschbach heb gelezen zijn Ausgebrannt (De rijkdom van Saoud), Eine Billion Dollar (De erfenis van Fontanelli) en Der Nobelpreis (De Nobelprijs). In Ausgebrannt gaat het om het einde van het olie-tijdperk. In Arabie blijkt een groot olieveld voortijdig op zijn einde te lopen, en daardoor raakt het fragiele evenwicht van vraag en aanbod aan het wankelen. Er wordt weliswaar nog steeds veel olie opgegraven (/gepompt?), maar omdat de vraag het aanbod overstijgt, schieten de prijzen in de hoogte en al snel worden benzine en allerlei vormen van energie en produkten die op olie baseren (kunststof!) zo duur, dat veel mensen zich deze dingen niet meer kunnen veroorloven. Andreas Eschbach laat op overtuigende wijze zien hoe afhankelijk we met zijn allen zijn van de olie, hoe de huidige economie en politiek hoofdzakelijk draait om de vraag wie de controle heeft over deze belangrijkse grondstof, en wat er zou kunnen gebeuren als we ons niet op tijd voorbereiden op het einde van het olie-tijdperk.

In Eine Billion Dollar krijgt een jonge man, die op dat moment nog niet veel tot stand heeft gebracht in zijn leven, opeens bezoek van drie advocaten. De advocaten verwittigen hem ervan dat hij erfenaar erfgenaam is van een groot geldbedrag. Om hoeveel geld het gaat, vertellen ze niet meteen, omdat anders de schok te groot zou zijn. Een biljoen dollar, een miljoen maal een miljoen dollar, is namelijk zoveel geld dat je daarmee zo machtig bent als een middelgrote industrie-staat. Het gigantische bedrag vindt zijn oorsprong 500 jaar geleden, toen een voorvader van de hoofdpersoon een voor de toenmalige tijd ook al aanzienlijk bedrag van 300 Florin naliet. In zijn testament liet hij beschikken dat een advocaten-familie dit bedrag 500 jaar lang zou beheren. Met het geld werd niet gespeculeerd, het werd alleen op de bank gezet, waar er rente van getrokken werd. Daar een 'dood' bedrag niet onbeperkt lang op de bank kan staan, was de opgave van de advocaten het geld steeds weer op tijd van bank naar bank over te maken en te verdelen in kleinere, onopvallende bedragen. Het loon voor dit werk bestond uit een gedeelte van de rente.

In principe is dat werkelijk mogelijk. 300 Florin kwamen ongeveer overeen met 10.000 dollar. Bij een rente van 3,8% kom je na 500 jaar op 1,255 biljoen. (Berekening: 1,038 tot de macht 500, maal 10.000).

Als het tot de hoofdpersoon doordingt dat hij niet droomt, en dat hij met het geld mag doen wat hij wil, gaat hij eerst volledig uit zijn dak. Het eerste wat hij koopt is een oude jongensdroom: een Ferrari. Daarna komt een mooi huis, een gigantisch jacht en meer luxe-artikelen. Hij geeft het geld met scheppen uit, maar het wordt niet merkbaar minder. Gaandeweg wordt hem bewust dat hij met zoveel geld ook iets zinnigs kan doen voor de hele wereldbevolking. In tegenstelling tot regeringen van landen die evenveel geld hebben, is hij aan niemand gebonden en kan met het geld doen wat hij wil. Verschillende adviseurs dringen zich aan hem op waarvan we niet weten of ze goedwillend zijn. Hij bouwt een netwerk van bedrijven op met behulp van een van de adviseurs, zodat het bedrag nog verder groeit. Zo ver, dat hij uiteindelijk met het geld kan doen wat hij van plan is; de wereld wordt niet gered, maar hij wordt er wel een stuk beter op.

Een anekdote uit dit boek bracht zo een aha-erlebnis bij mij tot stand over het wezen van banken, dat ik het hier met jullie wil delen. Het gaat erover hoe een bank geld kan creeren uit het niets. Dat kunnen ze echt. Giraal geld is denk ik het Nederlandse begrip ervoor, en het werkt zo:

Stel je richt een bank op met een eigenkapitaal van 100.000 Euro. Dit bedrag leen je aan een ondernemer, die dit geld nodig heeft om zijn rekeningen te betalen. Omdat hij niet al het geld in een keer nodig heeft, stort hij het voorlopig op een girorekening bij de bank, bij jou dus. Je bezit nu als bank een 'werkkapitaal' (niet het officiele begrip) van weer 100.000 Euro. Het mooie is, dat je deze 100.000 Euro nu weer bijna in zijn geheel aan de volgende ondernemer mag uitlenen. 10 Procent van het geld moet je achterhouden als reserve om de eerste ondernemer te kunnen bedienen als deze geld nodig heeft, dat is wettelijk geregeld. 90.000 Euro kun je dus uitlenen aan ondernemer nummer twee. Je ontvangt nu als bank rente over 190.000 Euro! Niet alleen ontvang je die rente, in feite heb je ook 90.000 Euro in omloop gebracht die voorheen niet bestonden. Je hebt geld gecreeerd. Dit spelletje kan zich herhalen, wanneer ondernemer 2 zijn geld ook op een betaalrekening stort.

Ook als de ondernemer het geld bij een andere bank dan de jouwe op een rekening stort, blijft het principe hetzelfde. Doordat een bank met geld dat op een girorekening staat, nieuwe leningen kan uitschrijven, schept zij geld.

Als we het bovenstaande voorbeeld 10 maal herhalen, is er in totaal bijna 700.000 Euro in omloop waarvan de bank rente krijgt, en in de loop van het proces heeft zij bijna 600.000 Euro gecreeerd.

De conclusie van de protagonist: als banken niet bestonden, hadden ze uitgevonden moeten worden.

De verhalen van Andreas Eschbach zijn vergelijkbaar met die van Dan Brown (Het Bernini Mysterie en De Da Vinci Code) en Frank Schätzing (Der Schwarm, Ned. De Zwerm), maar de stijl is naar mijn smaak beter. Zowel bij Dan Brown als Frank Schätzing komen de personen niet tot leven, ze zijn twee-dimensionaal. Ik heb geen herkenningsgevoel, ik leer geen echte mensen kennen die handelen van uit begrijpelijke gevoelens. Ze beleven weliswaar zeer spannende avonturen, en je leert heel veel feiten over geschiedenis, kunst en wetenschap, maar de mensen blijven vaag, schemerachtig, levenloos.

De mensen bij Andreas Eschbach zijn er een stuk beter aan toe. Het is weliswaar geen hoogstaande literatuur, maar de karakters van de figuren, en de ontwikkeling van die karakters, spelen een rol in het verhaal, zijn realistisch en herkenbaar. Mooi is bijvoorbeeld in Das Jesus Video hoe we de business-tycoon op twee manieren leren kennen. Eerst vanuit het gezichtpunt van zijn opponenten: als oppermachtige figuur, barstend van dadendrang, hoog op de ladder als eigenaar van het op een na grootste media-bedrijf in de USA. In het volgend hoofdstuk leren we hem van binnen kennen: zijn media-bedrijf brengt geen winst op, een groot deel van zijn succes heeft hij te danken aan zijn uiterlijk, hij maakt zich zorgen dat hij zoveel geld uitgeeft.

De klap op de vuurpijl is de achtergrond van Andreas Eschbach, waar ik pas achter kwam nadat ik al twee boeken van hem had gelezen. Hij was in zijn vorige leven, voordat hij fulltime schrijver werd, software-ontwikkelaar! (Net als ik). Een tijd lang heeft hij daarna zijn eigen automatiseringsbedrijf gehad, en toen hij zoveel succes kreeg met het schrijven, heeft hij zich daar 100 procent op gericht.

Van mij krijgt hij 5 sterren.

(Op de Duitse Wikipedia vind je een veel uitgebreidere beschrijving, en hier worden ook alle boeken apart besproken.)

15 juni 2009

Zelfdiscipline

[UPDATE 16 juni: Hopelijk vergaat het mij niet zo als de vrouw in deze strip !!]

Bij sporten en gezond eten heb ik genoeg zelfdiscipline. Ik heb genoeg zelfdiscipline om slechts enkele sigaretten per dag te roken. Ik rook overdag normaalgesproken helemaal niet. Als ik thuiskom rook ik de eerste, of na het eten. Zo rook ik op een doordeweekse dag ongeveer 2 sigaretten, als ik naar de kroeg ga of op vakantie ben, dan wordt het wat meer. Ik drink weinig alcohol.

Op andere gebieden heb ik geen zelfdiscipline, bijvoorbeeld bij televisie kijken en bij internetten. Daar neig ik tot verslaving, ik zit er veel langer aan dan ik eigenlijk wilde en er gaat kostbare tijd verloren die ik beter aan andere dingen kan besteden. Bijvoorbeeld aan WERKEN. Toen ik alleen woonde en veel te lang 's avonds achter de TV zat, heb ik de TV weggedaan. Nu is het zo dat ik op mijn werk teveel zit te internetten. Om daar een punt achter te zetten, heb ik vanmorgen de Opera internet browser gede-installeerd van mijn werk-laptop. Dat is de browser waarmee ik op mijn werk prive zit te surfen, omdat je met die browser makkelijker alle felgekleurde plaatjes kan onderdrukken. Dan valt het niet zo op bij de collega's en de chef dat je illegaal zit te bloggen in plaats van te werken. Kinderachtig he? Nu moet je weten dat het bij ons officieel verboden is om de pc voor prive-doeleinden te gebruiken, op straffe van ontslag. Dus voorzichtigheid is wel geboden.

Ik houd rigoureus op met internetten en bloggen op mijn werk, een andere mogelijkheid zie ik niet. Dit stukje schrijf ik weliswaar op mijn werk, maar met een kleine editor. Dan mail ik het naar huis en zet het thuis online. Dat is de enige uitzondering die ik maak.

Tot in de avond-uren.

12 juni 2009

De mythe van het passieve roken

Vroeger vond niemand dat sigarettenrook stonk. Ook de niet-rokers niet. Ikzelf ook niet. De geur van sigarettenrook associeerde ik met gezelligheid, en dus vond ik het een aangename geur. Nu door de pers het fenomeen passief roken in ieders bewustzijn is gebrand, en de mensen dus negatieve associates met sigarettenrook hebben, vinden opvallend veel mensen opeens dat rook stinkt. Suggestie.

Rook is lekker. Passief roken is veel minder gevaarlijk dan altijd wordt gesuggereerd. Medisch gezien is het roken van minder dan 5 sigaretten verwaarloosbaar, want dat ligt in dezelfde orde van groote als belasting door de buitenlucht. Bij passief roken moet je al heel erg je best doen om het equivalent van 1 ‘echt’ gerookte sigaret te inhaleren.

Metingen met behulp van Cotinin, een afbraakprodukt van nicotine in het bloed, geven aan dat passieve rokers 1/1000 van de hoevelheid nicotine opnemen die een roker opneemt. Bij horeca-personeel stijgt dat tot ongeveer 1/50. Dat komt dus ongeveer overeen met het roken van een halve echte sigaret.

Met uitzondering van ongeboren babys die met hun moeder meeroken en asthmalijders geldt dus:

Passief roken = Schall und Rauch

10 juni 2009

Geile Mucke

Geile Mucke betekent zoiets als gave muziek. In Duitsland wordt hin und wieder geniale muziek gemaakt door Duitse artiesten in de Duitse taal. Ik voel het als mijn plicht om deze juweeltjes aan zoveel mogelijk Nederlandse luisteraars door te geven. Ik heb de Nederlandse hitparades de laatste jaren niet gevolgd, dus het is mogelijk dat de liedjes die ik hier aanprijs al lang en breed bekend zijn in uw contreien, waarvoor dan excuses.

Het eerste lied dat ik wil noemen is van een jonge band uit het noorden van het land die in hun eigen taal zingen. De zangeres schrijft de teksten zelf. De muziek is eenvoudig maar niet te, melodisch en origineel. De teksten zijn zeer aanhoorbaar, een beetje poetisch, een beetje maatschappijkritisch, een beetje aktueel, een beetje romantisch. Ik heb het over Wir sind Helden, zoals ze zich zonder valse schaamte noemen. Het liedje waar ik hier naar link heet Denkmal, en is het eerste lied dat ik van ze heb leren kennen. Meteen bij de eerste tonen valt al op dat het geen gewoon lied is, en dat de inhoud over iets bijzonders gaat. De tekst is niet eenduidig. Het gaat erover dat de hoofdpersoon kwaad is over het feit dat er een Denkmal (kan zijn standbeeld, eerbewijs) voor haar is opgericht, en ze probeert dit Denkmal te slopen. Waar precies het eerbetoon aan gericht is wordt niet duidelijk, en of het standbeeld letterlijk als standbeeld genomen moet worden blijft ook in het midden. De sfeer van het lied is emotioneel geladen, een beetje mysterieus en ook rebellerig. Een feest om naar te luisteren. Veel plezier:

DENKMAL

De volgende band lijdt evenmin aan valse bescheidenheid, aangezien ze zichzelf als de beste band ter wereld betitelen. Die Ärzte bestaan al wat langer en zijn van een iets ander slag. Niet zo onschuldig, een beetje venijniger. In hun teksten halen ze graag uit naar het Bürgertum en de Bild-lezers. De muziek is rock, de muziek van Die Helden kun je meer als popmuziek beschouwen. Ook Die Ärzte zijn vooral bij een jonger publiek geliefd, zij het in mindere mate als Die Helden. Die Ärzte zingen graag over de frustratie in het leven die je krijgt omdat je niet bereikt wat je je in je jeugd had voorgesteld. Het lied dat ik wil voorstellen gaat over hun ouders, en laat op een leuke manier horen hoe de ouders van rock-muzikanten zich erover opwinden dat hun kroost geen fatsoenlijk beroep uitoefent, verkeerde vrienden heeft, de hele dag niets anders doet dan drugs nemen, enzovoorts.

JUNGE


Voor diegenen die nog meer willen horen, hier nog een paar van mijn favorieten:

Alles aus Liebe, Die Toten Hosen

Dalai Lama, Rammstein

[UPDATE 12 juni: Ik ben nieuwsgierig naar reakties hoe deze muziek in de smaak valt bij mensen die het nog niet kennen. Spui uw gal of toon uw bewondering!]

7 juni 2009

Terminator Salvation

Op bezoek bij mijn schoondochter de dochter van mijn vriendin in het mooie plaatsje Marburg, hebben we zaterdagavond de film Terminator Salvation, of zoals hij bij ons heet: Terminator, die Erlösung gezien.

Voor diegenen die geen tijd hebben om verder te lezen: ga er niet naar toe.

Voor diegenen die ook nog willen weten hoezo, het volgende:

Ik ken twee Terminator films met Arnold Schwarzenegger en hoewel ik normaalgesproken geen fan ben van pure action films, kon ik deze films wel waarderen. Het zijn science-fiction films met een aantal originele ideeen, zoals bijvoorbeeld een robot die terug in de tijd reist om te proberen de moeder van zijn toekomstige vijand te doden. Een aantal special effects waren nieuw, er was een verhaal dat interessant was, en bij de gevechten tussen mensen en robots speelde ook de humor af en toe een rol.

In de laatste film speelt Arnie, tegenwoordig bekend als de Governator van Californie, geen echte rol meer. Hij is nog even kort te zien, maar hij wordt door middel van computer-animatie tot leven gewekt. Een veelbelovende naam van een acteur die de hoofdrol speelt is Christian Bale. Ik heb hem voor het eerst bewonderd in de film American Psycho, toen in The Machinist en later in Batman returns. Vooral American Psycho en The Machinist zijn fantastische psycho-thrillers.

Terminator Salvation is voor ongeveer driekwart een verkapte oorlogsfilm. Actie, actie, actie, gevechten, schietpartijen tegen robots in allerlei soorten en maten, explosies, explosies en dan nog hele grote explosies. Er was geen verhaal van betekenis, de dialogen zijn van een bedroevende melodramatisch armoede. Wat ook niet hielp was dat het geluid in de bioscoop waar wij waren zo hard was, dat het tegen de pijngrens aan ging. Humor? Fehlanzeige. Het is een van de weinige films waar ik serieus overwogen heb om voor het einde de zaal te verlaten. Op dat moment werd het even iets rustiger in het verhaal en ik kreeg weer hoop. Helaas was deze hoop tevergeefs.

Wie wil weten waar de film precies over gaat, kan een van de vele officiele kritieken lezen. Hier heb je gelezen wat ik ervan vond. Zonde van mijn tijd en geld.

2 juni 2009

Windsurfen


Om mijn reputatie als superbob gestand te doen, hier een blogje over mijn hobby-sport. Windsurfen is een ouwe-lullen-sport geworden. Dat komt goed uit, want ik ben zelf ook geen puber meer. Toen ik puber was, was het een sport voor jongeren. Blijkbaar is de sport niet zo overgesprongen op de volgende generatie, want tegenwoordig zie ik voornamelijk mensen van mijn eigen leeftijd die eraan doen. Hoewel windsurfen een van de eerste 'funsporten' was, heeft het toch de reputatie nogal moeizaam te zijn. Je leert het niet zo snel, en het is een hoop gedoe om je plank op te tuigen. Bovendien kost het een hoop geld. Dat zijn zo'n beetje de redenen, en ze kloppen aardig. Tegenwoordig zijn er zoveel funsporten die makkelijker zijn en minder geld kosten: kitesurfen, (ja, is echt makkelijker, en je hebt minder spullen te slepen), inline-skaten, snowboarden, mountainbiken, met-een-BMX-fiets-van-die-kunstjes-doen (hoe heet dat eigenlijk?) enzovoorts.

Ik heb op het moment 3 planken, waarvan ik er twee werkelijk gebruik. Een kleine voor harde wind (Mistral Screamer, 268cm, 93 liter) en een grote (ON 160*Free, ongeveer 270 cm, 160 liter) voor lichte wind. Die grote heb ik twee jaar geleden gekocht, toen ook de grotere planken in zo een vorm te krijgen waren dat ze licht en wendbaar zijn. Dat heb je hier nodig omdat de wind altijd een a twee Beaufort minder is dan in Nederland.

Vanmiddag ga ik naar het Steinhuder Meer bij Hannover, om twee dagen uit te waaien en te surfen. Omdat ik daar nog nooit geweest ben en ook geen connecties heb, ga ik eerst maar eens naar de surfschool en neem een uurtje prive-les. Dat is wel een kleine rib uit mijn lijf voor 50 Euro/uur, maar vooruit. Dan kan ik meteen een beetje informatie uit hem zuigen en misschien mijn plank daar stallen. Volgens de windvoorspelling wordt het twee dagen windkracht 4, en dat is precies genoeg.

Wat is het fascinerende aan windsurfen? Meerdere dingen. Ten eerste de sport zelf. Als je een goede dag hebt, dan schijnt de zon en er waait een stevige constante wind. Bij genoeg wind vaar je niet meer door het water, maar je glijdt er overheen; in officeel spraakgebruik ben je dan in planee, of je bent aan het planeren. Dat is al naar gelang plank en zeil mogelijk vanaf windkracht 3,5-4. Dan begint het eigenlijke windsurfen. Als je voor het eerst in planee komt, is het een adembenemende ervaring. Je hebt opeens veel minder weerstand van het water, je gaat veel sneller, en het vreemde is dat je ook minder hard aan het zeil hoeft te trekken. (Voor de wetenschappers: dat ligt eraan dat de schijnbare wind afneemt als je eigen snelheid toeneemt). In planee varen op een surfplank is vergelijkbaar met waterskien of speedboot varen; iets in die geest. Vanuit de planee kun je dan de verschillende manoeuvres maken. De carve-gijp is de belangrijkste. Dat is een bocht van de wind weg, waarbij je als hem ideaal uitvoert in planee blijft totdat je 180 graden gedraait bent. Normaal geproken rem je in de bocht altijd af, en er zijn dan ook maar weinig windsurfers die dit echt beheersen. Andere manoeuvres zijn de duikgijp, dat is een gijp waarbij je onder het zeil doorduikt, net als op een zeilboot. Deze is een stuk moeilijker, en ik kan hem bijvoorbeeld alleen als ik heel langzaam vaar. Wat weer niet de bedoeling is.

Het andere fascinerende van windsurfen is dat je telkens weer tegen je grenzen aanloopt en die probeert te verleggen. Eigenlijk ben je bij windsurfen continu aan het leren; de sport is zo moeilijk dat je nooit uitgeleerd bent. Daarbij kan het behoorlijk frustrerend zijn. Ik kan de keren niet meer op twee handen tellen dat ik luid vloekend op mijn plank gezeten heb, gelukkig ver weg van de omstanders zodat niemand het kan horen. Daar ik het de laatste paar jaar niet meer zo vaak doe, wordt het ook gevaarlijker. Ik ben niet meer zo in vorm, en ik mag mijzelf niet overschatten. Zodra je je eigen kunde overschat, breng je jezelf in gevaar. Door bijvoorbeeld met een te groot zeil te varen bij harde wind. Of door te ver weg te varen. Of door door te varen terwijl je geen kracht meer in je handen hebt.

De laatste vakantie had ik nogal een dramatische belevenis bij het surfen. Mijn fout is achteraf gezien waarschijnlijk dat ik te snel gevaren ben terwijl ik al moe was. Ik voer dus snel en viel. Ik kwam in het water terecht met het zeil boven mij. Dat is op zich normaal, je moet er dan onderuit zwemmen. Ik was echter met mijn trapeze nog ingehaakt in het touwtje aan de giek. Het was zo verwrongen dat ik het niet loskreeg. Ik had mij zo ingespand door het snelle varen, dat ik nog maar weinig lucht had. Ik had voor de allereerste keer in mijn leven doodsangst. Als ik nu mijn trapeze niet loskreeg, dan zou ik gewoon verdrinken. Een geluks-engel zat op mijn schouder, want op een gegeven moment was mijn trapeze los, ik weet niet meer hoe ik het gedaan heb. Ik 'smeet' het zeil opzij en kwam boven. Ik heb toen eerst een paar minuten op mijn plank gezeten om weer bij te komen van de schrik.

Dat gaat deze keer niet gebeuren, want ik ben nu nog ouder en weer wijzer geworden!

Groeten uit de Zone.